Het Houten Huys stond lang bekend als het oudste huis van Amsterdam. Maar toen werden twee ontdekkingen gedaan…
Bouwjaar Houten Huys
Men dacht altijd dat het huis vlak na de grote stadsbrand van 1452 werd gebouwd, totdat experts besloten nader onderzoek te doen. Dankzij de jaarringen in het hout kwamen zij erachter dat de woning bijna een eeuw later is neergezet, namelijk in 1528. Daarmee raakte het Houten Huys gelijk zijn eerste plek kwijt. Want in 2012 deed een bouwinspecteur nog een andere bijzondere vondst. In een huis aan de Warmoesstraat, een van de oudste straten van Amsterdam, ontdekte hij bij toeval een houtskelet uit de late middeleeuwen. Jaarringenonderzoek op het hout bood weer uitkomst, het kwam uit 1485! Daarmee werd het pardoes het oudste huis van Amsterdam. Helaas is daar meer niets van te zien, omdat de woning in 1800 een nieuwe voorgevel kreeg.
Meer houten gebouwen in Amsterdam
Als je een kijkje wilt nemen bij deze eeuwenoude huizen, raad ik aan om bij het Houten Huys te beginnen. De woning heeft echt nog een middeleeuwse uitstraling en staat in het charmante Begijnhofje, een goed bewaard geheim midden in het centrum van Amsterdam. Aanrader is om daarna via de Warmoesstraat 90 (het echt oudste huis) naar de Zeedijk te lopen. Op nummer 1 zie je namelijk het enige andere houten gebouw in de stad, Café In ‘t Aepjen. Het verhaal gaat dat daar de bekende uitdrukking ‘in de aap gelogeerd’ is ontstaan. Of dat waar is, lees je in het leuke artikel In de aap gelogeerd zijn van Historiek. En als je toch op pad bent is ook de Oude Kerk een bezoek waard, dat is namelijk het oudste gebouw van de stad.
Het valt tegenwoordig (helaas) niet mee om een boekhandel draaiende te houden. Zo weet ook Scheltema. Na een loodzware periode werd het bedrijf in 2014 failliet verklaard. Maar gelukkig werd het even daarna overgenomen.
En het werd niet alleen gered, het verhuisde ook naar een indrukwekkend pand (van 3200m2!) aan het beroemde Rokin in Amsterdam. Scheltema is daarmee de op een na grootste boekhandel van Nederland. Donner in Rotterdam is met 3700m2 net iets groter. Het gebouw van Scheltema stamt uit 1911. Toen werd een rij huizen aan het Rokin gesloopt voor een groot nieuw kantoorpand, bijna twee keer zo hoog als de oorspronkelijke bebouwing. Het werd ontworpen door de Haagse F.A. Bodde die in New York ervaring had opgedaan met gewapend beton. Net als de mooie boekhandel in Dordrecht deed het gebouw vroeger dienst als veilingbedrijf (sterker nog, het Dordtse veilinghuis van de Makjes nam in 1919 dit veilinghuis over). Nu vind je in het gebouw 2,2 kilometer aan boekenplank, verdeeld over 5 verdiepingen. En het gigantische pand heeft een prettige, huiselijke sfeer weten te behouden.
De een ziet in het gebouw een meeuw die is neergestreken op de oever van het IJ, de ander een oog. Het futuristische filmmuseum EYE is hoe dan ook uniek, zoiets vind je nergens anders in Nederland.
Het EYE is hét herkenningspunt van Amsterdam-Noord. Als je het pontje neemt aan de achterkant van Amsterdam Centraal word je oog al getrokken naar het futuristische gebouw met zijn eigenzinnige vorm en grote uitkragingen. Om het staalskelet heen zijn 12.500 m² aluminium spierwitte stukjes aangebracht, zodat het licht op talloze wijzen reflecteert. Zo ontstaat een spel van licht en donker; een eerbetoon aan de film zelf. Het gebouw uit 2012 werd ontworpen door de Oostenrijkse architecten Roman Delugan en Elke Delugan-Meissl.
Met maar liefst 28.000 vierkante meter is de OBA de grootste bibliotheek van Nederland… Een waar boekenwalhalla.
Loop vooral langs de mooie muurgedichten en het leescafé met de grootste voorraad tijdschrift ooit. En vergeet het terras op de zevende verdieping niet, waar je uitkijkt over Amsterdam en je van alles leest over de gebouwen die je ziet. Het moderne gebouw uit 2007 is ontworpen door architect Jo Coenen, voormalig Rijksbouwmeester. De kenmerken zijn licht en open. En natuurlijk groot. Het heeft 300 werkplekken, 1.000 zitjes, meerdere vergaderzalen en zelfs een bibliotheektheater. Je hoeft je hier bepaald niet te vervelen.
De Koopmansbeurs geldt als een van de hoogtepunten van de Nederlandse architectuur. Het gebouw uit 1903 oogt zowel groots als sober.
Gebouw Beurs van Berlage
Vooral de strakke stijl en functionele bouw zijn modern. De bakstenen gevels zijn vlak en hebben aan elke zijde hun eigen karakter. De gevel aan het Beursplein is monumentaal met drie porten en een robuuste toren, geïnspireerd op een kerktoren, maar ook op Italiaanse middeleeuwse raadhuizen. De gevel tegenover het Centraal Station is juist open, met geveltoppen en torens. De lange zijgevel dankt zijn levendige ritme aan de vele vensters.
Inrichting beursgebouw
Berlage maakt van het beursgebouw een Gesamtkunstwerk, een samenspel van diverse kunsten. En dus brengen vele kunstenaars in het gebouw versieringen aan, zoals Jan Toorop, Mendes Da Costa, Richard Roland Holst. Wel zijn de ornamenten ingetogen. Eenheid en eerlijkheid van de gebruikte materialen en de constructie zijn belangrijk voor de architect. Binnen zijn bijvoorbeeld de ijzeren kappen van de beurszalen in het zicht gehouden. De beursgangers waren destijds overigens weinig gecharmeerd van het avant-gardistische karakter van de Beurs. De vele rauwe ongestucte baksteenmuren bevielen zelfs zo slecht dat men er wandkleden voor hing.
Berlage, een overtuigd socialist, heeft alles ruim opgezet. Hij gelooft namelijk dat het kapitalistische systeem binnenkort zal instorten en heeft zijn beurs zo ontworpen dat het na de revolutie als gemeenschapshuis kan dienen… En zijn wens is (deels) uitgekomen, tegenwoordig zijn in het gebouw congres-, en vergaderruimtes te vinden, zijn er concerten te beluisteren, kan er gegeten en gedronken worden en vinden er tentoonstellingen plaats.
Zoiets als Het Schip zie je niet vaak. Het gebouw heeft daadwerkelijk de vorm van een schip en barst van de uitbundige versieringen. Het is een wooncomplex, maar er zit ook een leuk museum in. Museum Het Schip organiseert talloze activiteiten, zoals rondleidingen door het gebouw, lezingen, wandelingen, fietstochten en workshops.
Gebouw Het Schip
Het Schip wordt gebouwd tussen 1914 en 1921 als wooncomplex voor arbeiders. De architect Michel de Klerk is een belangrijk gezicht van De Amsterdamse School en dat zie je duidelijk terug. Het Schip heeft een uitbundige stijl, met veel baksteen, versieringen en expressieve kleuren. Bij het ontwerp draait het vooral om het uiterlijk, functionaliteit staat op de laatste plaats. Zo zijn er balkonnetjes die je niet kunt gebruiken en bijvoorbeeld een totaal nutteloze hoge toren. Maar allemaal even mooi met geweldige details, zoals een vogel van baksteen of een bakstenen sigaar op de hoek van de gevel.
De woningen zijn van alle gemakken voorzien en worden dan ook onthaald als ‘paleizen voor arbeiders’. Dat is ook niet gek, want in die tijd woonden veel arbeidersgezinnen in donkere, kleine krotwoningen. Tijdens de industriële revolutie was er namelijk ongekende woningnood in de stad (het is kennelijk van alle tijden). De revolutionaire Woningwet van 1901 maakte een eind aan de erbarmelijke woonomstandigheden. De overheid ging onder andere leningen verstrekken aan woningbouwverenigingen om huizen te laten bouwen waaraan we ook het geweldige Schip te danken hebben.
Je kunt naar tal van activiteiten in Museum Het Schip. Aanrader is het rondje Schip met een gids. Je hoort dan alles over de (ontstaans)geschiedenis van het Schip, de architect en de leuke details die hij in het gebouw heeft verwerkt.
Het Koninklijk Theater Carré is legendarisch; je telt pas echt mee als artiest wanneer je hier hebt opgetreden. Oorspronkelijk was het een circus en dat zie je duidelijk terug.
Gebouw Carré
Het rondreizend circus van de familie Carré was in 19e-eeuws Amsterdam ontzettend populair. Daarom wilde Oscar Carré ook hier een permanent circus, net als in Wenen en Keulen. In Amsterdam bestond dit eerst uit een houten circustent aan de Amstel. In 1887 werd die vervangen door het ‘Steenen Circus van Carré. De stijl van het gebouw is neoclassicistisch met veel verwijzingen naar het circus, zoals clownshoofden, leeuwenkoppen en paarden. Het circus in Keulen diende als grote inspiratiebron, met als hoogtepunt de koepel van 35 meter; toen waarschijnlijk de grootste overspanning van Europa. De Amsterdamse koepel werd 37 meter en is nu uniek, omdat het gebouw in Keulen verloren ging. Door de koepel kreeg de zaal de uitstraling van een circustent en – ook prettig – hadden alle toeschouwers goed zicht omdat er geen pilaren nodig waren. Overigens gaat het verhaal dat Oscar Carré op een rondreis acht stalen brugdelen van een bouwplaats van Eiffel haalde voor het circus, maar dit verhaal is onderuit gehaald. De constructie is op eigen bodem gemaakt, door de Koninklijke Fabriek van Stoom- en andere Werktuigen.
Verbouwingen
Na de dood van Oscar in 1911 werden er ook andere voorstellingen opgevoerd, zoals opera en toneel, en de naam veranderde uiteindelijk in Theater Carré. Het theater ging door perioden van bloei maar ook door diepe dalen. In 1968 dreigde het zelfs gesloopt te worden, maar de gemeente voorkwam dit. Het gebouw werd door de jaren heen ingrijpend gewijzigd. Om de intense kou in de winter te verhelpen werd in 1919 het koepeldak dichtgemaakt met een stucplafond, waardoor overigens wel het idee van een circustent verloren ging. Andere megaverbouwingen waren in 1992 en 2004. Een spectaculaire wijziging was dat een deel van het dak werd vervangen door glas, waardoor je nu een mooi uitzicht hebt over de Amstel. En het plafond kreeg weer een sterrenhemel en kroonluchters, geïnspireerd op oude afbeeldingen.
De Nachtwacht is populair, maar onderschat ook de bibliotheek van het Rijksmuseum in Amsterdam niet.
De Cuypersbibliotheek is de grootste en oudste kunsthistorische bibliotheek van Nederland. Dwalend door het Rijks kom je vanzelf langs deze geweldige 19e-eeuwse leeszaal. Je mag ‘m fotograferen dus bezoekers kunnen niet wachten om de torenhoge kasten, de hardhouten balustrades en de mooie natuurstenen vloer vast te leggen. Tip: je kunt ook een leuke audiotour volgen over het museumgebouw, dan kom je vanzelf langs de mooie bibliotheek. Tijdens de tour hoor je van alles over de mooie leeszaal én het geweldige museumgebouw van Pierre Cuypers.
Het Rijksmuseum is het meesterwerk van de beroemde architect Pierre Cuypers. Hij ontwierp bijvoorbeeld ook het Centraal Station van Amsterdam, de gebouwen lijken ook wel op elkaar. Je kunt een speciale audiotour volgen die helemaal gaat over het museumgebouw.
Bouw Rijksmuseum
Het museumgebouw heeft wel wat weg van een kerk, met veel torens, glas-in-lood en hoge gewelven. Het mooie gebouw wordt dan ook wel de kathedraal van Cuypers genoemd. Overigens is er bij de oplevering in 1885 veel kritiek op de neogotische (lees: katholieke) vorm. Maar het museumgebouw eert vooral de kunst. De talrijke versieringen in renaissancestijl verwijzen namelijk naar de collectie van het museum, zoals de borstbeelden en namen van kunstenaars op de buitenmuren. En in het voorportaal zie je diverse muurschilderingen, bijvoorbeeld van het prachtige Paleis op de Dam waar Pierre Cuypers een groot bewonderaar van was. En als je goed rondkijkt in de eregalerij waar de Nachtwacht hangt zie je allemaal verwijzingen naar Rembrandt; zijn initialen staan bijvoorbeeld op de muren en pilaren.
Renovatie museumgebouw
Het museumgebouw is tussen 2003 en 2013 ingrijpend gerenoveerd. Het is gemoderniseerd maar tegelijkertijd van binnen weer meer het gebouw van Cuypers geworden. Want er was door de eeuwen heen nogal aan gesleuteld; veel decoraties waren bijvoorbeeld verdwenen. De bezoeker moest dus even geduld hebben – de verbouwing duurde zelfs een jaar langer dan de oorspronkelijke bouw – maar het Rijksmuseum is nu mooier dan ooit. Met dank aan het Spaanse architectenbureau Cruz Y Ortiz. Paradepaardje van het bureau is het innovatieve bouwwerk aan het plafond van de entree voor de akoestiek.
Je kunt een audiotour volgen over het museumgebouw. Terwijl iedereen naar de Nachtwacht staat te kijken, hoor jij alles over de Eregalerij waarin het beroemde schilderij van Rembrandt hangt. Ook kom je langs de mooie Cuypersbibliotheek en andere architectonische hoogtepunten van het museum.
Het Scheepvaartmuseum, of ‘s Lands Zeemagazijnzoals het oorspronkelijk heette, werd gebouwd toen Amsterdam de grootste haven ter wereld was. Het diende als pakhuis van de Admiraliteitvan de stad (de voorloper van de marine). Het is het grootste, nog bestaande 17e-eeuwse pakhuis van Nederland.
Gebouw Scheepvaartmuseum
Wegens ruimtegebrek (toen al) liet Amsterdam halverwege de 17e-eeuw 3 eilanden in het IJ aanplempen. In 1656 werd op Kattenburg ‘s Lands Zeemagazijn neergezet om onder meer zeilen en vlaggen, maar ook buskruit en kanonnen op te slaan. Daniel Stalpaert ontwierp het in classicistische bouwstijl. Deze stadsbouwmeester van Amsterdam werkte eerder al aan het stadhuis en had daar ervaring opgedaan met deze sobere, rustige en regelmatige stijl. Ingetogen of niet, het pakhuis was voor die tijd indrukwekkend en inspireerde Joost van den Vondel tot zijn lofdicht Zeemagazijn gebouwt op Kattenburgh t’Amsterdam. Het pand werd neergezet op maar liefst 2300 palen maar die konden verzakking helaas niet voorkomen. Daarom zie je steunberen en risalieten ter versteviging van het pand.
De (destijds nog open) binnenplaats werd gebruikt om regenwater op te vangen. De tongewelven eronder konden zo’n 40.000 liter regenwater opslaan als voorziening in geval van brand; duurzaamheid avant la lettre. Ironisch genoeg was deze opslag net wegbezuinigd toen in 1791 brand uitbrak in het pakhuis, maar gelukkig doorstonden de stevige muren deze ramp. Daarna kwam er een pleisterlaag over de zwartgeblakerde bakstenen; niets meer aan doen.
Renovatie Scheepvaartmuseum
Sinds 2011 is het letterlijke hoogtepunt van het Scheepvaartmuseum te bewonderen. Toen werd tijdens een renovatie de gigantische glazen overkapping over de binnenplaats aangebracht met duizenden stukken glas in een metalen frame. Het lijnenspel symboliseert de kruisende kompaslijnen die doen denken aan een oude zeekaart. Een spectaculair gezicht!
Het Trippenhuis is het grootste 17e-eeuwse woonhuis in Amsterdam. Op het gebouw zie je talloze verwijzingen naar de eerste eigenaren; twee rijke wapenhandelaren.
Geschiedenis Trippenhuis
Het Trippenhuis uit 1662 is vernoemd naar de eerste bewoners, de broers Louys en Hendrik Trip. De gebroeders Trip waren ambitieuze wapenhandelaren die hun rijkdom wilden tonen door dit gigantische stadspaleis neer te zetten. Oorspronkelijk zaten achter de brede gevel twee huizen. Waarschijnlijk hebben de broers geloot om te bepalen wie links en wie rechts ging wonen. De familie Trip wilde het stadhuis op de Dam (het latere Paleis op de Dam) overtreffen. Het Trippenhuis heeft ook dezelfde bouwstijl: het Hollands classicisme. Bij deze stijl worden Grieken en Romeinen als voorbeeld genomen. Je ziet dit bijvoorbeeld aan het driehoekige fronton in het midden, dat doet denken aan een tempel. De architect was Justus Vingboons, die dan weer de broer was van (de veel bekendere) Philips Vingboons.
Architectuur Trippenhuis
Het Trippenhuis barst van de verwijzingen naar het beroep van wapenhandelaar. De broers waren namelijk heel trots op hun werk. Ze zagen zichzelf niet als oorlogsmakers, maar als vredestichters. Want, uit oorlog komt vrede voort: ex bello pax. Zo zie je op het dak twee schoorstenen in de vorm van kanonnen. En op de voorgevel is het familiewapen te zien, omgeven door kanonnen en kogels. Olijf- en palmtakken symboliseren de vrede. In 1812 gaf koning Lodewijk Napoleon het Trippenhuis een nieuwe bestemming. Het door hem opgerichte wetenschappelijk instituut (de voorloper van de KNAW) trok in het gebouw. Ook het Vaderlands Museum voor Schilderijen en het Prentenkabinet (het huidige Rijksmuseum) kwam er te zitten. Vincent van Gogh bezocht het museum geregeld. In 1885 werd het huidige Rijksmuseum aan het Museumplein geopend. Toen werd de hele collectie daar ondergebracht.
Het kleine Trippenhuis
Tegenover het stadspaleis, staat een heel smal huisje. Dit wordt ‘het kleine Trippenhuis’ genoemd. Hierover gaat een bijzonder verhaal… De koetsier van familie Trip kwam regelmatig met zijn verloofde kijken naar het stadspaleis in aanbouw. Een keer verzuchtte hij: “Hadden wij maar een huis zo breed als voordeur!” De broers lieten daarop aan de overkant een woning voor hem bouwen met de overgebleven stenen van het paleis. Helaas is aan alle kanten bewezen dat dit verhaal niet waar is. Het kleine huis werd namelijk pas opgeleverd toen de broers Trip al lang onder de groene zoden lagen. Wat wel klopt: beide voordeuren van het stadspaleis zijn ieder bijna even breed als het kleine Trippenhuis. Lees het leuke artikel over de stadslegende: het kleine Trippenhuis op OnsAmsterdam. En ga je het (kleine) Trippenhuis bezichtigen, loop dan ook even door naar de Oude Hoogstraat, daar vind je het smalste huis van Nederland (en volgens sommigen zelfs van Europa).
Het Paleis op de Dam wordt gezien als het meest prestigieuze gebouw van de 17e eeuw. Het wordt oorspronkelijk gebouwd als stadhuis, maar in de 19e eeuw omgevormd tot paleis. Je kunt het paleis bezoeken, met een leuke audiotour.
Gebouw Paleis op de Dam
In 1648 krijgt Jacob van Campen de opdracht het gebouw te ontwerpen. Het nieuwe stadhuis van Amsterdam moet de macht en rijkdom van de stad uitstralen, dus Van Campen pakt flink uit. De architect laat zich inspireren door de imposante regeringsgebouwen van het oude Rome en ontwerpt het stadhuis in classicistische stijl. Het krijgt een koepeltoren, een voorgevel met pilasters, een risaliet en fronton en beeldhouwwerk dat de macht van de stad symboliseert. Bovendien wordt het hele pand opgetrokken uit dure Bentheimer zandsteen uit Duitsland (nadeel van deze geelbruine steensoort is overigens dat die door weersinvloeden grijs kleurt). De technische uitvoering werd verzorgd door stadsbouwmeester Daniël Stalpaert. In 1654 vertrok Van Campen na een ruzie met het stadsbestuur, waarna Stalpaert de volledige leiding kreeg.
Leuk weetje: In 1715 is het idee om het nu wereldberoemde schilderij de Nachtwacht in het stadhuis op te hangen (tot die tijd hangt het in het Trippenhuis). De plek is ook al bepaald, namelijk tussen 2 deuren in de Kleine Krijgsraadzaal. Er is alleen een klein probleempje: het past niet. En wat doe je dan? Je knipt een paar stroken van het schilderij af (Rembrandt was toen duidelijk nog niet zo’n grote naam als nu)… Sindsdien is het wereldberoemde schilderij dat nu in het Rijksmuseum hangt, dus een stuk kleiner. Meer weten? Lees het leuke artikel De Nachtwacht: verborgen, vernield en verheerlijkt van Andere Tijden).
In 1806 benoemt keizer Napoleon Bonaparte zijn jongere broertje Lodewijk tot koning van Nederland. Twee jaar later neemt de koning het stadhuis in gebruik en laat het inrichten als koninklijk paleis. Dit heeft wel wat voeten in de aarde. De koude kantoren krijgen tapijten op de vloer en stoffen op de wanden. De voormalige gevangeniscellen worden omgebouwd tot wijnkelders. Ook moet er absoluut er een balkon komen; een koning moet zich immers tonen aan het volk. Maar het gebouw is hier totaal niet geschikt voor, waardoor het nu heel gek laag hangt.
Koning Willem-Alexander gebruikt het paleis voor staatsbezoeken en andere officiële ontvangsten. Het is verder zoveel mogelijk open voor publiek. Je kunt een audiotour volgen door de mooiste vertrekken van het gebouw. Je hoort alles over de architectonische hoogtepunten, maar ook interessante verhalen over de koning en zijn vrouw Hortense. Een tipje van de sluier: ze hadden allebei hun eigen slaapkamer in de uiterste hoeken van het gebouw, zo ver mogelijk van elkaar vandaan.
De koepel van de gigantische basiliek torent boven de stad uit. Het is de moeite waard om binnen even een kijkje te nemen.
Gebouw Sint-Nicolaasbasiliek
Het bijzondere gebouw uit 1887 is ontworpen in neorenaissance stijl met barokke elementen. Extra bijzonder omdat in die tijd meestal gotische kerken werden gebouwd. Maar zo sloot de kerk goed aan bij de andere gebouwen in de stad. De basiliek werd gebouwd in de vorm van een kruis, met een gigantische koepel, 2 torens en een groot roostervenster in het midden. Let ook op de veelkleurige glas-in-lood sterrenhemel. Verder zie je vele beeldhouwwerken en schilderijen. De kerk is wat donker, maar dat geeft ook juist wel extra sfeer.
Het smalste huis van Nederland vind je in Amsterdam. Niet heel verrassend, want veel huizen in de hoofdstad zijn supersmal. En dat heeft een reden. In de 17e eeuw moest je in Amsterdam namelijk belasting betalen op basis van de breedte van de gevel. Dus hoe smaller het huis, hoe minder belasting je betaalde.
Oude Hoogstraat 22
Het piepkleine huisje uit 1738 vind je aan de Oude Hoogstraat. Het is slechts 2 meter breed (maar wel 5 meter diep) en heeft een typisch Amsterdamse tuitgevel. Er zit nu een theehuis in. Pal ernaast zie je overigens een van de bekendste poorten van Amsterdam: de poort naar de Waalse Kerk. Deze poort uit 1616 werd ontworpen door de beroemde Hendrik de Keyser en diende als doorgang voor uitvaartdiensten.
Wie is het smalst?
Er is wel altijd discussie over of het pand aan de Oude Hoogstraat nu wel echt het smalste huis is (volgens sommigen zelfs van Europa). Veel mensen beweren dat je juist op Singel 7 moet zijn. Maar deze woning is weliswaar maar ongeveer 1 meter breed, maar wat je ziet is de achtergevel. De voorkant is veel breder. Daarom zou dit niet het smalste huis zijn, maar de smalste gevel van Amsterdam. Een ander ‘smal huis’ dat vaak wordt genoemd is het kleine Trippenhuis, vlak om de hoek van het theehuis. Dat pandje heeft een mooie lijstgevel van slechts 2.44 meter breed. Het piepsmalle huisje staat pal tegenover het imposante Trippenhuis, grappig genoeg juist het breedste woonhuis van Amsterdam.
De Oude Kerk uit 1306 is het oudste gebouw van Amsterdam. Inmiddels doet het vooral dienst als museum voor hedendaagse kunst.
Gebouw Oude Kerk Amsterdam
De Oude Kerk is een voorbeeld van Hollandse gotiek. Het gebouw heeft houten tongewelven en hoge spitsboogvensters. En het is een zogenoemde hallenkerk, waarbij de zijbeuken vrijwel even hoog zijn als het middenschip. Oorspronkelijk was de kerk rooms-katholiek en stond bekend als de Sint-Nicolaaskerk. Sint-Nicolaas was onder andere de patroon van de zeelieden en werd vooral in havensteden vereerd. Zoals veel kerken werd ook de Oude Kerk slachtoffer van de Beeldenstorm. Altaren, schilderijen en beelden werden beschadigd of vernield. Daarna, in 1578, werd het een protestante kerk. Overigens werd de kerk pas omgedoopt tot ‘Oude Kerk’ op het moment dat de Nieuwe Kerk werd gebouwd in 1409. Wat je zal opvallen in de Oude Kerk, zijn de vele graven en grafmonumenten van vooraanstaande Amsterdammers. Maar ook het koorhek met de koorbanken, de gewelfschotels en plafondschilderingen die stammen uit de middeleeuwen.